Johan Teirlinck
Leven
Auteur
Docent
Johan Teirlinck
Tennis
Links
Johan Teirlinck
Johan Teirlinck
Johan Teirlinck
Fragment Udigir
Johan Teirlinck (1960)
Johan Teirlinck
Hoewel hij oud was
En fysiek nooit inspanningen deed
Droeg hij haar
Als door een plotse waan bezeten
-Cordelia en Lear gelijk-
De hele trap op
Tot boven
En legde haar
Zijn dierbare dochter
In haar bed
In de kamer
Waar zij
Ooit
-een eeuwigheid geleden
gisteren dus-
Geboren werd

En brieste
En weende
En vloekte
En streelde haar gelaat
En zoende
Zacht
Haar koude wangen

Want zij was dood
Ja dood

En vervoegde daarmee
De goden en de gekken
De voorvaderen van onze ziel
En verliet ons
-de stille stamelaars van zonlicht-
Op weg naar sterren
Naar boven
Helemaal boven
De kosmos in
De ruimte
En de tijd

En hij riep
Bezeten
Luid en woest
'ik zal je niet laten gaan
Nooit
Jij niet
Zolang je in mijn armen ligt
En ik je voel
Ben jij hier
En zingen wij
Als vroeger
En dansen
Net als vroeger
Op Rammstein
En op Aranguez
Wild en vrij
Tegen alles in
De wereld
De mensen
En alle dingen die we hebben gezien
Omdat wij vrij zijn
Omdat wij samen zijn
Omdat het leven
Van ons is
Kijk'

En zijn tranen
Dropen
Slopen
Op haar gezicht
En schreven er letters
Woorden
Van een gedicht
Die in haar zachte huid drongen
Verdwenen
Nergens meer waren
Net als zij

Zij lag niet hier meer
Was niet hier meer
Hij zag haar geest
Hij zag haar lijf
Hij zag haar wezen
Hoog in de kamer hangen
En noemde sprakeloos haar naam
Udigir

Udigir
En hoewel zij ijzig in zijn armen lag
En hij haar zo een eeuwigheid wou dragen
Vertrok voor zijn ogen haar zijn
Haar leven en haar stem
De hoge kamer in

En hoewel hij wou houden
Houden
En houden
Voor altijd
Begreep dat hij slechts een pop
In handen had
Een pop die hij kuste
En kuste
En met zijn tranen
Besprenkelde
Ga niet weg
Riep hij
Maar besefte
Dat hij afscheid nemen moest

En dat zij lachte
Van hoog in de kamer
En haar armen naar hem uitstrekte
En hij geen kant op kon
Niet hier
Niet later
Niet nu
Niet elders

Hij zou verliezen
En verloor

Wat dan
Met dit leven
Als zoiets kan
Wat doen wij hier
Wat stelt dit voor
Dit dwaas vertoon
Van dagen
Van zomer
Van ademen
Wat is geluk
En wat is schreeuwende pijn
Wat is elkaar raken
Aanraken
Wat is verlies

En moeten wij
Dan blij zijn
Blij
Met wat er is
Wat is gebeurd
Wat wij hebben gedeeld
Toen de bergstroom stroomde
De vogels dolden in de wind
Is dat het leven
Niets meer

Van waar dan die woede nu
Nu wij hier staan
Boven aan de trap
In een kamer
Die verhalen is
Die heel een leven
Samen balt
Die met het leven
Samen valt
En wij geen vensters hebben
Geen vensters meer
Om door te kijken
Naar wat beweegt
Rondom ons
De zotte zang
Van kinderen
De straatgeluiden
Van de stad

Alleen het einde
Van de baan
Van het bestaan
En vuisten
Om mee te slaan

Kom terug
Kom terug
En vlug
Ik wil
De hemel over slaan
En samen
Met je staan

Met waaiend haar
Op hoge toppen
Naar sterren slaan
Naar sterren gaan

Maar samen
Samen